Ik ben een vreemde lus

1001004005469220-ik-ben-een-vreemde-lus Gelezen: Hofstadter, D.R., Ik ben een vreemde lus, Uitgeverij Contact, 2008

Waar Gödel, Escher en Bach soms (voor mij) onnavolgbaar en vaak (voor mij) moeilijk te begrijpen was, is Ik ben een vreemde lus veel leesbaarder en slechts in enkele delen (voor mij) moeilijk te begrijpen. Dit boek is minstens even meeslepend als zijn beroemde voorganger Gödel, Escher en Bach. Hofstadter is soms heel persoonlijk en concreet en soms heel abstract in zijn beschouwingen. Knap aan dit boek is dat tegen het eind een schijnbare wirwar aan anekdotes, belevenissen en gedachte-experimenten onontkoombaar bij elkaar komt in de vorm van conclusies.
Kortom, het is weer een weergaloos boek.

Het centrale thema is gelijk aan de titel van het boek. Hofstadter onderzoekt het wezen van ons bestaan. Wat zijn we? Wat is ons bewustzijn? Wat is ons ik? En hij heeft daar antwoorden op.

Wanneer Hofstadter aan mensen vertelt waar hij mee bezig is, dan krijgt hij vaak de vraag of hij zich bezig houdt met de werking van de hersenen. Dat niet, eigenlijk. Althans niet op microscopisch (en kleiner) niveau. Hij constateert dat wij zelf voor het begrijpen van de wereld om ons heen zijn aangewezen op onze macroscopische ervaringen. En met die macroscopische ervaringen, daar houdt hij zich mee bezig.
Hofstadter gaat in op de gelaagdheid der dingen. Op het allerkleinste niveau heb je de deeltjes en atomen waarop alles gebouwd is, dan heb je moleculen, dan de samenstellingen van moleculen tot … enzovoort. Op ieder volgend niveau gedraagt het geheel zich anders dan de deeltjes waaruit het is opgebouwd; er is sprake van “eigen” gedrag. Vaak is het samenstellende deel onderworpen aan wetmatigheden die je op basis van de wirwar aan deeltjes en hun gedrag niet zou verwachten. Toch werkt de werkelijkheid zo. Als we iets willen weten over onszelf en ons ik, dan hoeven we niet af te dalen naar de kleinste deeltjes en niet naar de werking van onze hersenen. Op basis van de samenstellende delen zijn er genoeg conclusies te trekken. Zoals Hofstadter het zelf uitdrukt:

Dit idee, dat het laagste niveau wel voor honderd procent verantwoordelijk is voor wat er gebeurt, maar tegelijkertijd irrelevant, klinkt haast paradoxaal, en toch is het een waarheid als een koe.

Het spreken op en over hogere niveaus leidt altijd tot informatieverlies. Immers pas op het niveau van de allerkleinste deeltjes heb je volledig informatie. Maar als je op dat niveau werkt, dan is je stof net zo groot als de werkelijkheid. Wij moeten altijd vereenvoudigen. Daarin ligt ook onze kracht.

Dankzij drastische vereenvoudiging kunnen we situaties herleiden tot de kern, abstracte essenties ontdekken, precies aangeven wat ter zake doet, fenomenen op verbazend hoge niveaus begrijpen, veilig overleven in deze wereld, en spreken over literatuur, kunst, muziek en wetenschap.

Betekenis ontlenen we niet direct aan de allerkleinste fysica, maar aan beelden van de werkelijkheid. Ofwel: … alle betekenis is afkomstig van analogieën.

De teksten over de dood van zijn vrouw Carol vormen een heel persoonlijk en essentieel deel van dit boek. Hofstadter voelt dat zijn vrouw in hem voortleeft. Uitgebreid beschrijft hij hoe haar kijk op de werkelijkheid, haar reacties op gebeurtenissen, in hem opspeelden in situaties die vergelijkbaar waren aan situaties die ze samen hadden beleefd. Hij bedenkt hoe zijn vrouw gedacht zou hebben, denkt zoals zij gedacht zou hebben, en zij denkt zo als het ware nog steeds via hem. Zo leeft zij voort. Zo lang als er patronen van haar in de hersenen van levenden resteren. Aldus Hofstadter.

En dan het “ik”. Wat is dat?

Wat een van die lussen tot u maakt is dat hij in een specifiek stel hersenen huist die al de ervaringen hebben doorgemaakt die u tot u hebben gemaakt.

Wat een vreemde lus precies is moet u zelf maar lezen, hier een uiterst korte samenvatting.
Het “ik” is een vreemde lus. Het is een zelfverwijzing. Het “ik” bestaat bij de gratie van ons “ik” dat naar zichzelf kijkt, dat zichzelf “waarneemt”.
De hersenen beginnen als een leeg, onbeschreven blad, door een veelheid aan ervaringen vullen de hersenen zich. Met die vulling ontstaat geleidelijk het “ik”, dat er in huist.
Door zichzelf als “ik” waar te nemen, bestendigt en versterkt het “ik” zich. Hofstadter noemt het “ik” een “zichzelf versterkende mythe”. De hersenen hebben namelijk zelf iets verzonnen; het “ik”.

Hofstadter legt ook een relatie tussen het “ik” en de anderen.

En zo kom ik uit bij de onverwachte conclusie dat wat het toppunt van zelf lijkt, het “ik”-gevoel, in werkelijkheid ontstaat als en alleen als er tegelijk met dat zelf een besef van het “ik” van anderen is, met wie een affectieve band wordt onderhouden. Kortom, er wordt alleen een ego geboren wanneer er grootmoedigheid wordt geboren.

En dat is mooi:

… dat onze hersenen ingewikkeld genoeg zijn om te zorgen dat we vrienden kunnen hebben en liefde kunnen voelen, waardoor we als bonus de enorme wereld rondom ons kunnen ervaren, dat wil zeggen dat we bewustzijn krijgen. Helemaal geen slechte deal.

Ook mooi:

Uiteindelijk zijn wij, vastgepinde hersenschimmen die onszelf waarnemen en onszelf verzinnen, wondertjes van zelfverwijzing.

Ronkende flapteksten zeggen het al, maar het is nog waar ook, wanneer je dit boek hebt gelezen, dan kijk je anders naar jezelf dan daarvoor.

Een absolute aanrader dit boek!

Dit boek op bol.com (NL) en (EN).

Tags: ,

Comments are closed.