Tim en Koen

Een vader voetbalt op een betegeld terras met zijn twee zoontjes, Tim en Koen. Plaatselijk is in de tegelvloer een schaakbord gesuggereerd door afwisseling van witte en bruine tegels.
Tim is het oudste jongetje, Koen is het jongste. Koen schop zacht en brengt rituelen in het spel. “Pap, ga op de witte staan, niet op de bruine, dan ben jij de baas.” Tim moet daar niets van hebben. Het haalt elke vaart uit het spel. Koen trekt zich daar niets van aan. De plaats der dingen is minstens even belangrijk als het voetbalspel. De plaatsing is voor hem een belangrijk deel van het spel. De vader schippert tussen beide belevingen en probeert beiden tegemoet te komen. Als Koen en Tim weer eens botsen, verlaat Koen boos het spel.
Een tijdje later meldt Koen dat hij weer mee gaat doen. “Ik ga op wit staan, dan ben ik de baas!” Tim vindt van niet. Koen mengt zich, desondanks, toch weer in het spel. Tim baalt. “Nee, ik wil niet dat je meedoet. Ik wil niet weer sloom!”
Koen dreigt dan dat hij het spel zal verlaten. Precies wat Tim wil, bedenk ik.
Maar, die grijpt dat niet aan. Het vervolg is voor mij onverwacht. Het dreigement van Koen werkt.
Koen doet weer mee.

Tags:

Comments are closed.